Het effect van mama zijn op je zelfvertrouwen….

Mama zijn, het doet wat met een mens. Van zodra die kleine spruit wordt geboren, is niets nog hetzelfde. Je leven verandert compleet, maar als mama verander je (noodgedwongen) even hard mee. Ik kan moeilijk zeggen dat ik nu nog dezelfde persoon ben als pakweg 2 jaar geleden. Vooral qua (zelf)vertrouwen is er één en ander veranderd.

Meer angst
Nog nooit ben ik zo vaak bang en onzeker geweest als sinds Elise is geboren.
 Zeker de eerste maanden stelde ik mezelf constant in vraag, en bij elke beslissing was er twijfel of dat wel de juiste beslissing was. Nu ik al een beetje verder ben en ik erop terugkijk, lijkt het absurd om nog maar te denken dat Elise er blijvende schade van zou ondervinden als ze een beetje langer met een vuile pamper moest blijven liggen of haar flesje iets te warm of te koud was. Maar toen waren dat echt wel reële problemen. En nu nog merk ik dat mezelf constant in vraag stel: Ben ik wel streng genoeg? Ben ik niet te streng? Geef ik ons meisje genoeg eten? Of net teveel? Heeft ze er geen last van als ze weer eens bijna het laatste kindje is in de crèche? Moeten we die verkoudheid nu toch niet eens laten nakijken door de dokter? Is er niets meer aan de hand?
Afin, je snapt het wel. Ik ben altijd al een piekeraar geweest, en dat is er het laatste anderhalf jaar dus niet op verbeterd.

Maar er is ook een keerzijde:

Nog meer vertrouwen
Hoewel ik dus nog nooit zoveel twijfels en angsten heb gehad als het laatste anderhalf jaar, merk ik ook dat ik sterker in mijn schoenen sta dan ooit tevoren. Het lijkt alsof er een soort basis van vertrouwen is die zelfs door al dat gepieker niet stuk kan. Het besef dat onze dochter gelukkig is. Ik wéét gewoon dat dat zo is, als ik haar ’s morgens uit haar bedje ga halen en ze onmiddellijk een brede glimlach op haar gezicht tovert. Ik wéét dat ik goed bezig ben als mijn meisje er zichtbaar van geniet om ’s morgens voor we naar het werk en de crèche moeten vertrekken, nog even 10 minuutjes mama’s aandacht te stelen en samen in de zetel naar Maya De Bij te kijken (I know, tv ’s morgens vroeg is misschien niet het meest pedagogisch verantwoord, maar dat rustmomentje voor we aan de dagelijkse rush beginnen is zo zalig). En ik wéét dat ik mijn dochter ken en dat ik op mijn moederinstinct kan vertrouwen. Al vaak genoeg is intussen gebleken dat dat immers volledig terecht was. Hoe vaak ik ook aan mezelf twijfel en hoe vaak ik mij ook afvraag of ik goed bezig ben, toch is er ergens diep vanbinnen het besef dat ik er op mag vertrouwen. En waar ik vroeger bijna nooit eens voor mezelf durfde op te komen, durf ik dat nu wel. Zeker als het over Elise gaat. Het cliché van de mamabeer blijkt dus toch wat te kloppen. Al zie ik het meer een beetje als een ijsberg: het zichtbare topje wankelt misschien soms, maar de enorme berg eronder is stabiel. Geen Titanic die daar verandering in kan brengen 🙂

Mild voor anderen, streng voor jezelf?

Ik heb een tijdje met een soort van “writers block” gezeten, zoals jullie wellicht hebben gemerkt. Dat wil absoluut niet zeggen dat ik ook effectief heb stilgezeten, maar om één of andere reden lukte het mij even niet om alles te verwoorden. Meerdere keren de afgelopen weken heb ik achter mijn laptop gezeten en ben ik begonnen aan een stuk, dat ik dan om telkens weer een andere reden niet kon afwerken. Geen inspiratie, de goede woorden niet vinden, … En vaak ook de overtuiging dat wat ik schrijf, misschien allemaal toch niet zo interessant is. Maar nu besef ik dat dat niet de bestaansreden van mijn blog is: ik schrijf niet enkel om anderen te plezieren of te entertainen (als dat lukt is dat natuurlijk mooi meegenomen), maar ik schrijf om mijn eigen ervaringen te delen en hopelijk gelijkgestemde zielen te bereiken. En dat kan alleen maar door gewoon te schrijven hoe het zit, anders schiet niemand er iets mee op natuurlijk. Dus hop, ik geef mezelf een spreekwoordelijke schop onder kont, en vlieg er terug in!

Behandel je naasten zoals je zelf behandeld wil worden. En omgekeerd.

Bovenstaande zin (deel 1) is een leefregel waar ik volledig achtersta. De filosofie spreekt in mijn ogen voor zich: als je zelf iets niet wil meemaken, ga je er ook niet voor zorgen dat anderen dat wel meemaken. Punt. Iets wat niet veel verdere uitleg behoeft en iets wat ook voor de meesten onder ons vanzelfsprekend is.
Het tweede deel (en omgekeerd) is in mijn ogen een heel ander verhaal. Want je moet jezelf ook niet aandoen wat je een ander ook niet toewenst. Lijkt heel vanzelfsprekend, maar ik heb gemerkt dat dat toch een pak moeilijker ligt dan de meer gekende versie van de spreuk.

Ik zal er meteen ook bij vertellen welk gegeven dit voor mij heel duidelijk heeft gemaakt: ik merk dat ik totaal niet veroordelend ben tegenover andere mama’s, maar dat ik mezelf geen enkele “fout” of tekortkoming gun. En dat is verdomme vermoeiend.

Een voorbeeld:
Als ik in de winkel een peuter zie die een driftbui doormaakt, en ik zie de (vaak wanhopige) mama er naast staan, heb ik in de eerste plaats medelijden. Toegegeven, vroeger vond ik dat vooral irritant. En ik ga nu niet beweren dat een krijsende peuter tot mijn favoriete omgevingsgeluid behoort als ik in de supermarkt sta. Maar sinds ik zelf mama ben (en zeker nu ons dochtertje ook haar eerste driftbuien doormaakt), ligt dat toch anders. Omdat ik weet dat je die dingen als mama (of papa) niet altijd in de hand hebt. Omdat ik weet hoe wanhopig je je kan voelen als zoiets gebeurt, en zeker als je dan nog eens de boze blikken uit de omgeving door je heen voelt snijden. Als ik dat zie, leef ik dus in eerste plaats mee met de mama (of papa) in kwestie. Maar als Elise zelf een driftbui krijgt buitenshuis, heb ik absoluut geen medelijden met mezelf en voel ik gewoon in de eerste plaats diezelfde blikken uit de omgeving door mij snijden. Terwijl ik achteraf wel besef dat ik er niets aan kon doen. Je kan nu eenmaal niet veel veranderen aan het feit dat je dochter plots alles wat ze ziet in het karretje wil laden, en dat niet mag. De ene dag aanvaardt ze dat zonder morren, de andere dag (een beetje meer vermoeid, een beetje hongerig,…) is dat de aanleiding voor een driftbui. Dat is een gegeven waar ik niet buiten kan. En dat moet ik dus leren loslaten.

Bovenstaand voorbeeld geldt eigenlijk voor zowat alles wat met opvoeding te maken heeft: ik heb alle (maar dan ook echt alle) begrip voor mensen die hun kind(eren) pas gaan halen in de crèche tegen sluitingstijd om wat extra me-time te hebben. En ik heb ik ook oneindig veel respect voor mama’s die net zoveel mogelijk tijd met hun kinderen willen doorbrengen en hun carrière er zelfs voor opgeven of ervoor op de rem gaan staan. Maar als ik zelf beslis om Elise een uurtje later te gaan halen in de crèche om eerst nog even rustig eten te kunnen maken, wat te poetsen, of gewoon even rustig in de zetel te ploffen, bekruipt mij toch vaak het gevoel dat ik een slechte mama ben. Geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om een oordeel te vellen over de mama die regelmatig een afhaalmaaltijd op het menu zet of die frietjesdag als een geschenk uit de hemel beschouwt. Maar als ik er zelf niet in slaag om elke dag min of meer gezond eten op tafel te zetten, voelt dat aan als een falen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ik die dingen niet gewoon doe: ik geniet ook ten volle van een frietjesmaaltijd, en vind het een verademing als ik eens niet moet koken. Maar dat oordelen over mezelf, daar is nog wat werk aan.

Vandaar mijn pleidooi voor meer mildheid tegenover mezelf. Behandel jezelf zoals je anderen wil behandelen, dat is toch een mooi levensmotto, nietwaar? We blijven eraan werken 🙂


Over vanalles…(en niets)

“Parenting: if you’re not tired, you’re not doing it right”

Morgen is het zover: dan beginnen mijn vriend en ik aan onze zelf opgelegde uitdaging om een maand lang geen (geraffineerde) suikers te eten. Daar waar ik mij in het begin zorgen maakte dat ik serieus zou moeten afkicken (ik ben nogal een zoetebek), maak ik mij nu al heel wat minder zorgen. Een stevige buikgriep die dit weekend in ons gezin de ronde heeft gedaan, heeft er automatisch voor gezorgd dat snoep mij ook op dit moment niet zo veel zegt en mijn eetpatroon de laatste dagen veel soberder is. Die overgang is dus al gemaakt. Een geluk bij een ongeluk dus, of hoe zeggen ze dat? 🙂 Nu alleen nog kwestie van volhouden…

De laatste dagen zijn hier nogal hectisch geweest. Het afgelopen weekend waren mijn vriend en ik ziek (die befaamde buikgriep dus, een cadeautje van ons dochtertje die de week ervoor ziek was). Niet dat ik zielig wil doen (er zijn veel ergere dingen dan een buikgriep), maar we voelden ons ellendig. Tot niets in staat behalve op de zetel liggen (zelfs tv kijken was er in het begin te veel aan). Gelukkig kon ons dochtertje 2 nachten logeren bij mijn schoonouders, waar we wisten dat ze in goede handen was. Zo konden wij wat uitzieken. De schoonouders zijn trouwens intussen ook ziek geworden, net zoals mijn moeder, ons dochtertje is gul geweest met de virusjes in haar buikje!
Intussen zijn we er weer wat bovenop. Maar uitzieken zonder kindjes of met kindjes blijkt dus toch wel een groot verschil te zijn:

  • vroeger sliep ik uit als ik ziek was. Met een baby in huis is uitslapen (relatief, want mijn biologische klok is sowieso quasi perfect afgestemd op die van onze dochter, maar soit) een utopie. En uitslapen = uitzieken, dus dat herstel duurt gewoon langer dan ervoor
  • als er niemand in huis is waar je voor moet zorgen, doe je waar je zin in hebt. Ben je misselijk? Dan blijf je gewoon weg uit de keuken. Ik kan u zeggen: ik ben zeer blij dat ik pas zondag de eerste keer mijn dochtertje terug patatjes moest geven. Want zelfs dan was de geur alleen al bijna genoeg om mij terug te laten kokhalzen. Als ik dat een dag eerder had moeten doen, was het gegarandeerd fout gelopen.
  • en dan beslist de dochter om een kakapamper van jewelste te produceren, en speelt ongeveer hetzelfde scenario als hierboven zich af. Opnieuw: blij dat dit pas zondag gebeurde. Zaterdag zou het voor zowel mezelf als mijn vriend de genadeslag zijn geweest.

Pas op, ik klaag niet. Ik ben heel blij dat ons dochtertje goed is opgevangen bij mijn schoonouders. En ik was nog blijer dat we ze zondag eindelijk terug bij ons hadden. Want de stilte deed dan wel deugd in huis, maar eigenlijk vond ik het vooral té stil. Ik ruil die kleine “minpuntjes” van hierboven dus voor geen geld van de wereld in voor meer rust, ik neem ze er met relatief plezier bij. Maar ik stel wel vast dat ik, voor er een kindje was, sneller hersteld was van zoiets. Terwijl mijn spijsverteringsstelsel nu nog bezig is met te bekomen en ik er een fikse verkoudheid bij heb.

En het moment waarop ik besefte dat ik dit allemaal nooit meer zou willen missen: zondag bleek ons meisje plots in staat om zelf recht te gaan staan (en te blijven staan) met hulp van de activity walker. Gewoon, ineens. Ik zat ernaast maar was even niet aan het kijken, en een minuut later hoor ik blije kreetjes en zie ik ze stevig op de beentjes staan. Ze was apetrots. Een beetje later ging ze op haar poep zitten en begon zo wat rond te schuiven (wat ik vroeger zelf ook deed, maar zij nog nooit had gedaan). Ons meisje had dus vanalles geleerd op korte tijd. En dat mogen zien, weten dat ze het goed doet, en dat ze gelukkig is, maakt de kokhalsneigingen bij de patatjes en kakapampers meer dan goed!

Verborgen reflux – de fabel van de roze wolk doorprikt

“er was eerder sprake van onweerswolken”

Toen ons meisje geboren werd liep alles van een leien dakje. We hadden een superrustige baby. We waren in de wolken dat alles zo goed ging.

Tot een paar weken later. De dochter begon meer en meer te huilen. Niet gewoon zagen, maar echt ontroostbaar huilen. Meerdere uren per dag. Mijn vriend en ik waren ten einde raad.

De huisarts vertelde ons dat er geen probleem was. Baby’s huilen nu eenmaal. Maar ik voelde aan alles dat er meer aan de hand was. Dus: op naar de kinderarts. Die kwam al snel met de diagnose verborgen reflux. Simpel gezegd: reflux waarbij de voeding die vanuit de maag terug vloeit, niet uit de mond komt maar in de keel of mondholte blijft. Onzichtbaar dus, en daarom vaak moeilijk vast te stellen.

We zijn dan onmiddellijk van pap veranderd en hebben medicatie opgestart. Intussen zijn we meer dan 3 maanden verder en heeft onze meid amper nog klachten.

De euforie van in het begin was dus snel verdwenen. Heel de dag met een wenende baby rondlopen, dat vreet. Ik telde de uren af tot mijn partner/ de kraamhulp/ mijn moeder er waren. Dan voelde het als een verlossing dat ik onze meid even uit handen kon geven. Ik nam een douche in plaats van een bad zodat ik het geschreeuw even niet kon horen. 10 minuten douchen voelde als 2 dagen vakantie.

Op verplaatsing was ons meisje vaak rustiger. Volgens de vroedvrouw een normaal verschijnsel, maar voor mij een bron van zelftwijfel: doe ik iets verkeerd? Ben ik geen goede mama?

Pas toen we begrip kregen van de kinderarts en de medicatie de juiste beslissing bleek, keerde de rust wat terug.. Maar nog steeds had ik schrik om bv. alleen met de baby te gaan wandelen. Want wat als ze plots weer hysterisch begon te huilen? Stap voor stap heb ik mij hier min of meer over gezet. Ik ben nu veel geruster. Maar als onze meid terug een huilbui heeft (bijvoorbeeld door een fikse verkoudheid), zie ik alles zo terug voorbij flitsen.

Een roze wolk? Die heb ik dus grotendeels gemist. Er was eerder sprake van onweerswolken.

Maar het positieve: ook dat is voorbij gegaan. De rust is terug. Niet voor altijd, dat besef ik maar al te goed. En dus genieten we er nu extra hard van.

De eerste maanden…

mama zijn is als een sneltrein

Mijn dochtertje is intussen bijna 5 maand oud. Die tijd is voorbij gevlogen aan een tempo waar ik mij nog steeds over verbaas. Oké, 5 maand is 5 maand, dat is een vaste tijdsduur. Maar soms lijkt het alsof ik de helft heb gemist. Van de ene dag op de andere lijkt de dochter ineens weeral gegroeid en moeten er weer een reeks kleertjes opzij gelegd worden die ze amper heeft kunnen dragen. Heeft ze weeral iets bijgeleerd en rolt ze om, grijpt ze naar haar speeltjes,… Gaat het weeral allemaal wat vlotter en lacht ze van zodra ze ziet dat je de kamer binnenkomt.

Het lijkt wel gisteren dat dat hulpeloze baby’tje de eerste keer in mijn armen werd gelegd. Tegelijkertijd is er sindsdien al zoveel veranderd dat ik het mij bijna niet kan voorstellen.

Mama zijn is: op een sneltrein springen zonder echt te weten waar die je naartoe brengt. En ondanks die onzekerheid toch zoveel mogelijk van de reis genieten…