Het effect van mama zijn op je zelfvertrouwen….

Mama zijn, het doet wat met een mens. Van zodra die kleine spruit wordt geboren, is niets nog hetzelfde. Je leven verandert compleet, maar als mama verander je (noodgedwongen) even hard mee. Ik kan moeilijk zeggen dat ik nu nog dezelfde persoon ben als pakweg 2 jaar geleden. Vooral qua (zelf)vertrouwen is er één en ander veranderd.

Meer angst
Nog nooit ben ik zo vaak bang en onzeker geweest als sinds Elise is geboren.
 Zeker de eerste maanden stelde ik mezelf constant in vraag, en bij elke beslissing was er twijfel of dat wel de juiste beslissing was. Nu ik al een beetje verder ben en ik erop terugkijk, lijkt het absurd om nog maar te denken dat Elise er blijvende schade van zou ondervinden als ze een beetje langer met een vuile pamper moest blijven liggen of haar flesje iets te warm of te koud was. Maar toen waren dat echt wel reële problemen. En nu nog merk ik dat mezelf constant in vraag stel: Ben ik wel streng genoeg? Ben ik niet te streng? Geef ik ons meisje genoeg eten? Of net teveel? Heeft ze er geen last van als ze weer eens bijna het laatste kindje is in de crèche? Moeten we die verkoudheid nu toch niet eens laten nakijken door de dokter? Is er niets meer aan de hand?
Afin, je snapt het wel. Ik ben altijd al een piekeraar geweest, en dat is er het laatste anderhalf jaar dus niet op verbeterd.

Maar er is ook een keerzijde:

Nog meer vertrouwen
Hoewel ik dus nog nooit zoveel twijfels en angsten heb gehad als het laatste anderhalf jaar, merk ik ook dat ik sterker in mijn schoenen sta dan ooit tevoren. Het lijkt alsof er een soort basis van vertrouwen is die zelfs door al dat gepieker niet stuk kan. Het besef dat onze dochter gelukkig is. Ik wéét gewoon dat dat zo is, als ik haar ’s morgens uit haar bedje ga halen en ze onmiddellijk een brede glimlach op haar gezicht tovert. Ik wéét dat ik goed bezig ben als mijn meisje er zichtbaar van geniet om ’s morgens voor we naar het werk en de crèche moeten vertrekken, nog even 10 minuutjes mama’s aandacht te stelen en samen in de zetel naar Maya De Bij te kijken (I know, tv ’s morgens vroeg is misschien niet het meest pedagogisch verantwoord, maar dat rustmomentje voor we aan de dagelijkse rush beginnen is zo zalig). En ik wéét dat ik mijn dochter ken en dat ik op mijn moederinstinct kan vertrouwen. Al vaak genoeg is intussen gebleken dat dat immers volledig terecht was. Hoe vaak ik ook aan mezelf twijfel en hoe vaak ik mij ook afvraag of ik goed bezig ben, toch is er ergens diep vanbinnen het besef dat ik er op mag vertrouwen. En waar ik vroeger bijna nooit eens voor mezelf durfde op te komen, durf ik dat nu wel. Zeker als het over Elise gaat. Het cliché van de mamabeer blijkt dus toch wat te kloppen. Al zie ik het meer een beetje als een ijsberg: het zichtbare topje wankelt misschien soms, maar de enorme berg eronder is stabiel. Geen Titanic die daar verandering in kan brengen 🙂

Project school en project rijbewijs

Project school?

Vanmorgen, toen ik op de terugweg was van de crèche, kwam ik voorbij de kleuterschool, waar het een komen en gaan was van ouders en kindjes. Het was 8u10, dus de schoolspits was in volle gang. En ineens besefte ik: binnen iets meer dan een jaar loopt ons meisje daar ook rond. Dan staan de papa en ik ook ’s morgens aan de schoolpoort. Oké, dat is natuurlijk nog een jaar. Dat is gigantisch lang. Maar langs de andere kant: als ik bedenk dat Elise ondertussen al anderhalf jaar bij ons is (op een paar dagen na) en hoe snel die tijd voorbij is gevlogen, kan ik niet anders dan even slikken: het gaat er sneller zijn dan we denken!

De laatste weken is het ook ongelooflijk om te zien wat Elise weer allemaal heeft bijgeleerd. Ze leert bijna elke dag wel een nieuw woordje, en lijkt zowat alles te begrijpen wat we haar proberen uitleggen. Ze begint flink haar speelgoed op te ruimen als we erachter vragen (en een beetje meehelpen), eet bijna zonder hulp haar yoghurtje op (weliswaar met een beetje gesmos), en lacht uitbundig als er in de Bumba-aflevering van die dag iets grappigs gebeurt. Ze komt spontaan (en heel enthousiast) knuffels geven op de meest onverwachte momenten, maar laat even goed merken wanneer ze daar geen zin in heeft. Kortom: we kunnen hoe langer hoe meer communiceren met onze kleine meid. En dat is zalig. Maar ook een beetje beangstigend, want ik heb soms toch echt het gevoel dat ik het allemaal niet kan bijhouden. *snif*

Project rijbewijs

En in al die drukke tijden is de mama intussen aan een nieuw project begonnen. Het is te zeggen: eerder de reprise van een oud project dat al enkele keren in de vuilbak is beland. Ik ga opnieuw proberen mijn rijbewijs te halen. Vrijdag 14 december ga ik mijn theoretisch examen afleggen, zodat 2019 in het teken kan staan van het behalen van mijn definitief rijbewijs. Niet zo moeilijk zou je denken, en waarschijnlijk vind je het zelfs vreemd dat iemand van 31 jaar nog zonder rijbewijs rondloopt. Maar het is niet dat ik niet heb geprobeerd. Integendeel, dit wordt de derde keer (en dus hopelijk de goede). Die theorie, dat is allemaal niks. Ik heb daar al 2 keer de maximumscore gehaald, dus falen is op dat vlak geen optie. En ik ben objectief ook volledig er van overtuigd dat ik mijn rijbewijs moet halen. Al is het maar om te zorgen dat ik kan ingrijpen als er iets is met Elise of met de papa. En om af en toe ook eens zelf naar de winkel te kunnen rijden, of te kunnen gaan shoppen. Rationeel gezien ben ik helemaal mee. Maar ik heb rijangst. En geen klein beetje. Elke vezel in mijn lijf schreeuwt eigenlijk uit dat ik niet gemaakt ben om achter het stuur te zitten. Meerdere (spreekwoordelijke) stemmetjes in mijn hoofd fluisteren constant dat ik niet in staat zal zijn om controle te hebben over die auto, om nog maar te zwijgen van andere chauffeurs die onverwachte manoeuvres kunnen doen. Je snapt het, diegene die mijn rijlessen gaat begeleiden (niet mijn partner deze keer, ik wil onze relatie niet op het spel zetten), die zal weten wat te doen. Maar goed, er zullen nog wel zo een mensen geweest zijn in de geschiedenis zeker? Ik ben in elk geval optimistisch (voorzichtig). Dus bij deze zal ik mijn theorieboek nog eens bij de hand nemen 😉

Wordt vervolgd!

En, wanneer komt de volgende?

Bovenstaande vraag is, in verschillende varianten uiteraard, de vraag die mij de afgelopen weken en maanden zowat het meest gesteld moet zijn. Uiteraard wordt er eerst beleefd gepolst naar hoe het met de dochter gaat. Als je dan gewoon “goed” antwoord of iets wat erop lijkt (met andere woorden, als er uit je antwoord op geen enkele manier blijkt dat de vraagsteller een groot risico neemt om een gevoelige snaar te raken met de vervolgvraag), volgt bijna onmiddellijk de vraag “En, wanneer komt de volgende?”. Wordt soms ook verpakt als “En wanneer is het tijd voor nummer 2?”, of “Is het nog geen tijd voor broertje of zusje?”, of op nog een duizendtal andere manieren. Allemaal bedoelen ze echter hetzelfde: ze vragen of je nog niet dringend werk moet maken van gezinsuitbreiding, want “eentje is geentje”, dat lijkt de filosofie die er achter steekt wel te zijn.

Wel, ik kan u het volgende zeggen: eentje is allesbehalve geentje. Onze dochter heeft ons gezinnetje compleet gemaakt. Op dit moment is er geen enkele reden om overhaast over te gaan tot een uitbreiding van onze familie. Begrijp mij niet verkeerd, ik zeg niet dat dat nooit het geval zal zijn. Ik kan onmogelijk nu uitsluiten dat ik volgend jaar, of voor mijn part binnen vijf jaar, er anders over denk en er effectief nog een broertje of zusje bijkomt voor Elise. Dat kan. Maar het kan ook zijn dat dat niet het geval is. Dat mijn vriend en ik beslissen dat ons gezin gewoon goed is zoals het is. En dat onze dochter als “enig kind” zal opgroeien.

Maar blijkbaar zien de mensen daar vooral de nadelen van in: kinderen die opgroeien zonder broertje of zusje zouden zich continu vervelen thuis, minder goed rekening houden met anderen en bijna per definitie opgroeien tot egocentrische volwassenen waar je niets mee kan aanvangen. En misschien zit daar ergens een grond van waarheid in: het is logisch dat een kind dat thuis niet altijd alles (of veel) moet delen, dat iets minder gewend is dat een kind uit een groot gezin. Ik kan die redenering ergens wel volgen. Maar zeg nu eerlijk: zijn er bij de mensen die wel met broer(s) of zus(sen) zijn opgegroeid, ook geen egocentrische mensen bij die schijnbaar nooit rekening hebben moeten houden met een ander? Zijn er bij de kinderen die als enig kind opgroeien dan echt alleen maar zielige kindjes die nooit thuis een speelkameraadje hebben? Of is het misschien mogelijk dat dat wordt gecompenseerd door een goede kinderopvang waar ze leren samen spelen, en door neefjes en nichtjes die samen met de kindjes kunnen dollen?

Is een gezin dan echt alleen compleet als er meer dan 1 kindje is? Ik geloof van niet. Er zijn zoveel factoren die erbij komen kijken. De belangrijkste, waar in mijn ogen alles mee begint? De ouders. Als zij zich er niet aan toe voelen om een tweede kind (of een derde, of een vierde, whatever) op de wereld te zetten, moeten ze daar toch beter niet aan beginnen? In mijn geval weet ik bijvoorbeeld wat een tweede zwangerschap lastig zal verlopen, gezien mijn verleden met bekkeninstabiliteit. De kans is groot dat ik dan enkele maanden thuis moet zitten. En mijn vriend en ik zijn mensen die nu eenmaal veel slaap nodig hebben, en dat lijkt mij niet echt iets wat je er bij krijgt als er een extra baby in huis komt. Dus lijkt het ons voorlopig beter om al onze energie te focussen op ons dochtertje en te zorgen dat zij opgroeit tot een meelevende, gezonde, aangename en vrolijke meid. Dat het haar aan niets ontbreekt. Nogmaals, misschien denk ik daar binnenkort anders over. Ik sluit niets uit. Maar aan alle mensen die mij de vraag nog hadden willen stellen in de nabije toekomst: voorlopig komt er geen nummer 2. We zijn gelukkig zo. We zijn compleet. Toch bedankt voor de interesse 😉

Mild voor anderen, streng voor jezelf?

Ik heb een tijdje met een soort van “writers block” gezeten, zoals jullie wellicht hebben gemerkt. Dat wil absoluut niet zeggen dat ik ook effectief heb stilgezeten, maar om één of andere reden lukte het mij even niet om alles te verwoorden. Meerdere keren de afgelopen weken heb ik achter mijn laptop gezeten en ben ik begonnen aan een stuk, dat ik dan om telkens weer een andere reden niet kon afwerken. Geen inspiratie, de goede woorden niet vinden, … En vaak ook de overtuiging dat wat ik schrijf, misschien allemaal toch niet zo interessant is. Maar nu besef ik dat dat niet de bestaansreden van mijn blog is: ik schrijf niet enkel om anderen te plezieren of te entertainen (als dat lukt is dat natuurlijk mooi meegenomen), maar ik schrijf om mijn eigen ervaringen te delen en hopelijk gelijkgestemde zielen te bereiken. En dat kan alleen maar door gewoon te schrijven hoe het zit, anders schiet niemand er iets mee op natuurlijk. Dus hop, ik geef mezelf een spreekwoordelijke schop onder kont, en vlieg er terug in!

Behandel je naasten zoals je zelf behandeld wil worden. En omgekeerd.

Bovenstaande zin (deel 1) is een leefregel waar ik volledig achtersta. De filosofie spreekt in mijn ogen voor zich: als je zelf iets niet wil meemaken, ga je er ook niet voor zorgen dat anderen dat wel meemaken. Punt. Iets wat niet veel verdere uitleg behoeft en iets wat ook voor de meesten onder ons vanzelfsprekend is.
Het tweede deel (en omgekeerd) is in mijn ogen een heel ander verhaal. Want je moet jezelf ook niet aandoen wat je een ander ook niet toewenst. Lijkt heel vanzelfsprekend, maar ik heb gemerkt dat dat toch een pak moeilijker ligt dan de meer gekende versie van de spreuk.

Ik zal er meteen ook bij vertellen welk gegeven dit voor mij heel duidelijk heeft gemaakt: ik merk dat ik totaal niet veroordelend ben tegenover andere mama’s, maar dat ik mezelf geen enkele “fout” of tekortkoming gun. En dat is verdomme vermoeiend.

Een voorbeeld:
Als ik in de winkel een peuter zie die een driftbui doormaakt, en ik zie de (vaak wanhopige) mama er naast staan, heb ik in de eerste plaats medelijden. Toegegeven, vroeger vond ik dat vooral irritant. En ik ga nu niet beweren dat een krijsende peuter tot mijn favoriete omgevingsgeluid behoort als ik in de supermarkt sta. Maar sinds ik zelf mama ben (en zeker nu ons dochtertje ook haar eerste driftbuien doormaakt), ligt dat toch anders. Omdat ik weet dat je die dingen als mama (of papa) niet altijd in de hand hebt. Omdat ik weet hoe wanhopig je je kan voelen als zoiets gebeurt, en zeker als je dan nog eens de boze blikken uit de omgeving door je heen voelt snijden. Als ik dat zie, leef ik dus in eerste plaats mee met de mama (of papa) in kwestie. Maar als Elise zelf een driftbui krijgt buitenshuis, heb ik absoluut geen medelijden met mezelf en voel ik gewoon in de eerste plaats diezelfde blikken uit de omgeving door mij snijden. Terwijl ik achteraf wel besef dat ik er niets aan kon doen. Je kan nu eenmaal niet veel veranderen aan het feit dat je dochter plots alles wat ze ziet in het karretje wil laden, en dat niet mag. De ene dag aanvaardt ze dat zonder morren, de andere dag (een beetje meer vermoeid, een beetje hongerig,…) is dat de aanleiding voor een driftbui. Dat is een gegeven waar ik niet buiten kan. En dat moet ik dus leren loslaten.

Bovenstaand voorbeeld geldt eigenlijk voor zowat alles wat met opvoeding te maken heeft: ik heb alle (maar dan ook echt alle) begrip voor mensen die hun kind(eren) pas gaan halen in de crèche tegen sluitingstijd om wat extra me-time te hebben. En ik heb ik ook oneindig veel respect voor mama’s die net zoveel mogelijk tijd met hun kinderen willen doorbrengen en hun carrière er zelfs voor opgeven of ervoor op de rem gaan staan. Maar als ik zelf beslis om Elise een uurtje later te gaan halen in de crèche om eerst nog even rustig eten te kunnen maken, wat te poetsen, of gewoon even rustig in de zetel te ploffen, bekruipt mij toch vaak het gevoel dat ik een slechte mama ben. Geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om een oordeel te vellen over de mama die regelmatig een afhaalmaaltijd op het menu zet of die frietjesdag als een geschenk uit de hemel beschouwt. Maar als ik er zelf niet in slaag om elke dag min of meer gezond eten op tafel te zetten, voelt dat aan als een falen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ik die dingen niet gewoon doe: ik geniet ook ten volle van een frietjesmaaltijd, en vind het een verademing als ik eens niet moet koken. Maar dat oordelen over mezelf, daar is nog wat werk aan.

Vandaar mijn pleidooi voor meer mildheid tegenover mezelf. Behandel jezelf zoals je anderen wil behandelen, dat is toch een mooi levensmotto, nietwaar? We blijven eraan werken 🙂


Een actieplan!

Diegenen die deze blog een beetje volgen, hebben het al een tijdje in de gaten: ik loop de laatste tijd niet bepaald over van energie. Integendeel. Daar zijn verschillende redenen voor, de voornaamste het feit dat er hier in huis nog maar weinig sprake is van een deftige nachtrust. Ik kan daar nog eindeloos over doorgaan, en mezelf blijven focussen op al die vermoeidheid. Maar dat wil ik niet, en dus heb ik een plan. Want die vermoeidheid zorgt uiteraard voor zin in slaap, maar zorgt er vooral ongewild ook voor dat mijn levensstijl in het algemeen minder gezond wordt: er wordt wat meer gesnoept (suiker als snelle energieboost!), er wordt minder energie gestoken in gezond koken (takeaway.be is soms echt wel een zalige uitvinding) en ik ben minder snel geneigd om te gaan wandelen en te bewegen. En waar ik de continuïteit van mijn nachtrust niet echt in handen heb (die eer is voor de dochter), heb ik die minder goede levensstijl-gevolgen wèl in de hand. En dus ga ik die aanpakken. Ik maak er een nieuw project van. Eentje waarvoor ik nog geen flitsende naam heb bedacht, maar dat wel gaat werken. Hoop ik.

Nu ben ik ook niet naïef. Ik weet dat het moeilijk is om alles ineens te veranderen, en ik weet dat vermoeidheid een effect heeft op je wilskracht en het vermogen om zulke zaken vol te houden. Mijn studies psychologie hebben me toch nog iets bijgebracht 🙂 En dus ga ik het stap voor stap aanpakken. Telkens 1 aspect veranderen, en dat ene aspect enkele weken volhouden tot het een nieuwe gewoonte is en geen energie meer kost. En dan overstappen naar het volgende. Het zal dus niet zo snel gaan, maar het resultaat zou duurzamer moeten zijn, ahum. We zullen zien.

Het blijkt wel uit onderzoek dat het ook helpt om een concreet doel voor ogen te houden. Mijn doel is meer energie hebben, maar dat is niet concreet genoeg geformuleerd. Als ik mijn doel echt als motivatie wil zien, moet het een concreet tijdstip en een concreet resultaat bevatten. Moeilijk, want ik weet dat niet onmiddellijk. Ik ga dus verschillende “subdoelen” maken, per domein dat ik ga aanpakken. Dat lijkt mij realistischer. Stap voor stap…

Stap 1 heb ik al: ik ben er namelijk door de dokter op gewezen dat ik meer moet drinken. Niet alleen nu in de warmte, maar in het algemeen. Vroeger voor mij een evidentie, maar sinds ik mama ben vergeet ik dat precies regelmatig. En als ik dorst heb, grijp ik gemakkelijk naar frisdrank, omdat die nu eenmaal sneller energie geven. Maar op termijn is dat natuurlijk geen oplossing. Dus is mijn doel voor de komende weken: elke dag minstens 1,5 à 2 liter water drinken, maximum 2 tassen koffie (want dat droogt uit), en maximum 1 frisdrank per dag. Dat lijkt mij realistisch voor nu en goed om mee te beginnen.

Later zal ik mijn doelen ambitieuzer maken: minder snoepen maar gezonde alternatieven zoeken, zoeken naar snelle en toch gezonde maaltijden om na een lange werkdag op tafel te toveren, elke dag voldoende bewegen en in overleg met de kinesist terug de stap zetten naar beginnen joggen om de conditie op te bouwen, het is maar een deel van wat ik wil (en hopelijk zal) bereiken. Maar zoals gezegd, stap voor stap. En hoe zeggen ze dat? Juist ja. Eerst water, de rest komt later 🙂

Zzzzzz…

 

Ik geef het niet graag toe, maar bij deze zeg ik het dan toch: ik ben op. Kapot. Oververmoeid. Niet gewoon een beetje moe (dat dat bij het ouderschap hoort, zo ver ben ik ondertussen al) maar echt op. Dit weekend had ik amper nog de kracht om op mijn eigen bene te blijven staan. De reden? Daar moet ik niet ver achter zoeken: ik zou er verdorie veel geld voor geven om nog eens een nacht te kunnen doorslapen. Maar ons meisje beslist daar anders over. En het erge: je kan het kind eigenlijk niets kwalijk nemen. Ze heeft het ook niet gemakkelijk gehad de laatste weken. Eerst een hevige oorontsteking, dan een buikgriep, dan problemen met de darmen (als gevolg van de buikgriep) en een heel aantal tandjes die samen wilden doorkomen. Je zou van minder slecht slapen. En om alles nog een beetje erger te maken, is het dan ook nog eens warm. Heel warm. Zowel ik als mijn vriend kunnen daar niet zo goed tegen, en Elise dus ook niet (no surprises there, je kan die genen moeilijk manipuleren).

Er is wel vooruitgang, dat mag ik ook niet ontkennen. Enkele weken geleden waren we nog elke nacht uren in de weer met een schreeuwende baby in onze armen. Dat is nu, mede dankzij de gouden raad en voorschriften van de kinderarts, veel beter. Alleen vraagt ons meisje nu elke nacht een fles. Veel drama komt er niet bij kijken: ze wordt even schreeuwend wakker, wij staan op en maken een flesje, geven het haar en leggen haar terug in bed. Al bij al maximum 10 minuten, en daarna slaapt ons meisje als een roos weer verder. Maar elke nacht is dus wel onderbroken. En dat wreekt zich.

Voor de preken beginnen: ik weet dat een peuter van 14 maanden eigenlijk geen nachtvoeding nodig heeft. Dat ze overdag alle voedingsstoffen binnenkrijgt die ze moet hebben om goed te kunnen groeien. Ik ben mij er van bewust dat dat papje eigenlijk een luxe is voor ons meisje. En dat dat niet kan blijven duren. Ik weet dat allemaal en herhaal dat dagelijks een aantal keer tegen mezelf.
Langs de andere kant: het is echt wel verdomd warm op die kinderkamer (26° gemiddeld tegen de avond), en dan zou ik ’s nachts zelf ook wel wat willen drinken. En ja, we zouden haar water kunnen geven. En ja, op een gegeven moment gaan we dat ook effectief doen. Maar dan moeten we eerst wat gerecupereerd zijn van deze helse weken. Zodat we een paar helse nachten (want die komen er sowieso van als we beslissen om papjes op te geven, ons meisje kennende zal ze wel in hevig protest uitbarsten) aankunnen. En dan denk ik, of nee, ben ik zeker, dat alles terug in de plooi zal vallen.

Maar eerst blijf ik op doktersbevel 2 dagen kamperen in mijn zetel. En probeer ik wat energie terug te vinden.
En trekken we vanavond naar Kind en Gezin, voor de volgende reeks inentingen voor Elise. Kwestie van ook niet te snel nog een nacht te kunnen doorslapen, stel je voor.

Dus, voor nu: napflix and chill!

 

 

 

Hé, het is (niet) ok…

Man man, wat een week was me dat weer… De energiereserves die opnieuw (althans gedeeltelijk) waren aangevuld na bijna 2 weken verlof, zijn alweer helemaal opgebruikt… Donderdag, toen mijn vriend en ik bijna klaar waren om naar het werk te vertrekken, bleek ons meisje een serieuze buikgriep te hebben. Heel de dag braken, dokters bellen om raad te vragen en voorzorgen te nemen tegen uitdroging, een hangerige baby die enkel bij mama wou zijn… Gelukkig konden we allebei thuis blijven van het werk, want zo een buikgriep bij je kind is niet alleen emotioneel lastig/vervelend, maar stelt ook een hoop praktische problemen (zo veel was verzamel je normaal nooit op 1 dag tijd). En dan is het wel fijn als je die last kan delen.

Soit, een paar dagen uitzieken was de boodschap. Vandaag, dag 4, heeft ons meisje eindelijk terug wat vaste voeding gegeten, en beter nog: ze had er smaak van. Dus dat komt goed. Maar het kruipt in je kleren.

Ik weet het, het hoort er bij. Dat zegt iedereen toch altijd. En natuurlijk is dat ook wel waar: die kleine prutsjes kunnen er ook niet aan doen dat ze nog geen weerstand hebben tegen alle beestjes die rondzwerven in de omgeving. Het is niet hun schuld dat ze de ene infectie aan de andere weten te breien. En dat de periodes zonder infectie dan meestal het moment zijn dat er weer een tandje doorbreekt. Waardoor de nachten weer slechter gaan. Dat is allemaal normaal, en er is weinig aan te doen. Maar dat wil niet zeggen dat het niet verdomd lastig is soms. Dus, hoewel “het hoort erbij” vaak wordt gebruikt als andere verwoording voor “stop met erover te zagen”, is er toch in mijn ogen een wereld van verschil….

Ik kan er niet omheen: eigenlijk vraagt de combinatie van werk (zeker in een leidinggevende functie), gezin, en dan ook nog eens voor mijn eigen gezondheid zorgen, meer dan 100% van mijn kunnen. Ik doe mijn job graag, ik ben graag mama, en ik doe mijn best om tussen dat alles door ook nog eens aan mijn eigen gezondheid te werken (die oefeningen van de kinesist, ik doe écht mijn best om er elke dag werk van te maken…). En op goede dagen kom ik daar ook mee rond. Dan is thuis alles min of meer op orde, ben ik op mijn werk mee met alles, en doe ik effectief die oefeningen waarover de kinesist altijd (terecht) zegt dat ze zo belangrijk zijn. En dan lukt dat zonder al te veel problemen. Laat ons zeggen dat ik dan 90% van mijn energie gebruik, maximaal.
Het enige probleem: de dagen waarop alles vlot loopt, zijn zeldzaam. Want altijd is er wel ofwel een nieuw project op het werk dat veel aandacht opeist, ofwel een probleem met de dochter (tandjes, slechte dromen, ziek zijn, you name it…), ofwel speelt mijn eigen gezondheid mij parten (meestal het gevolg van een periode waarin 1 van de vorige 2 zaken overheerste). En dan kan ik niet anders dan vaststellen dat dat elke keer meer van mijn energiereserves wegvreet. Dat ik met 100% van mijn energie niet toekom, en dus in die reserves moet gaan putten. Maar wat als die reserves ook stilaan op geraken?

Begrijp mij niet verkeerd, ik ben niet ongelukkig ofzo. Ik zie mijn dochter doodgraag, en zou voor geen geld van de wereld willen ruilen met hoe het daarvoor was. Ik weet dat slapeloze nachten erbij horen als je een klein kind hebt, en ik neem die er ook bij (we hebben niet echt een keuze). En als ze zo ziek is en alleen bij mama wil zijn, vloek ik soms, maar langs de andere kant smelt ik als ik merk dat ze helemaal overstuur is in haar bed, maar dat ze binnen de 5 minuten in slaap valt als ze bij mij in het logeerbed ligt. Ik had nooit durven denken dat ik voor één persoon zoveel zou kunnen betekenen. Zalig vind ik dat. Maar langs de andere kant: de dochter slaapt dan misschien wel goed zo bij mama in het logeerbed, ik doe zelf geen oog dicht. Elke zuchtje, kreuntje, elke draai, ik heb het allemaal gehoord en ben direct in “hypervigilantie”modus. Te waakzaam dus. Dat heb ik niet in de hand. En dus ben ik stiekem ook wel doodblij dat ons meisje, nu ze beter is, vanavond bij de schoonouders gaan logeren is. Want mama en papa hebben ook wat rust nodig. Kwestie van morgen even een dagje aan 80% te kunnen leven, of 85% misschien. En dan hebben we toch weer even een beetje opgebouwd. En dan kan ik tenminste nog eens bij de kinesist zeggen dat ik echt wel die oefeningen heb gedaan. We blijven proberen. En dat is oké zo. Iemand nog een koffietje?

De dochter was uitgeput na al dat ziek zijn. Ik voel met haar mee 🙂

Om bij stil te staan

Ik heb geen andere mensen nodig
om mezelf in vraag te stellen
dat doe ik zelf al genoeg

ik heb geen andere mensen nodig
om te twijfelen of ik het goed doe
aan twijfel heb ik sowieso geen gebrek

ik heb geen andere mensen nodig
om mij te wijzen op mijn gebreken
ik zie die zelf ook als ik in de spiegel kijk

ik heb wel andere mensen nodig
meer dan ooit zelfs
voor een schouderklopje af en toe

ik heb andere mensen nodig
om te horen
“je doet dat goed”

ik heb andere mensen nodig.
Net als iedereen.
Maar wat ik het meest nodig heb
is een beetje steun….

Op reis….

Het is al even stil geweest op deze blog. Dat heeft een goede reden: de laatste dagen waren we op reis. Met ons gezinnetje. De bestemming: Landal in Nieuwvliet Bad. Een bungalowpark dus, waar we een huisje voor ons drie hadden gehuurd voor een week.

Nu, het was een heel leuke tijd, maar blijkt dat zo op reis gaan met een baby toch nog wat anders is dan vroeger met ons tweetjes. Een paar dingen die we de afgelopen week hebben geleerd:

  • Niet de hele wereld is wakker om 6u ’s morgens. Integendeel. Het is dan nog verdacht stil op het domein. En het ergst van al: de verse broodjes zijn pas om 8u te verkrijgen. Met andere woorden: we ontbeten deze week twee keer: om 6u met broodjes van de vorige dag, en dan om 8u met verse koffiekoeken. Het is tenslotte vakantie, nietwaar? 🙂
  • Het strand blijkt een eindeloze zandbak te zijn. Dolle pret voor onze kleine meid. Maar als ze dan plots met haar natte gezichtje en open mond plat op haar gezicht in het zand terechtkomt, is de pret plots ver te zoeken. En voor wie het zich afvraagt: zand blijkt vrij snel zijn weg te vinden door het spijsverteringsstelsel. Het zand dat in haar mond terechtgekomen was, hebben we de volgende ochtend al op andere plaatsen teruggevonden. Boeiend. Ahum.
  • Zwemmen is blijkbaar niet voor elke baby even leuk. Meer nog, dat dobberen blijkt zelfs vrij eng te zijn. Zeker in een zwembandje. Horror. Bij mama, papa, of oma op de arm viel het mee. Maar enthousiasme zou ik het nog niet echt noemen. In tegenstelling tot Elise haar nichtje, die het kostelijk naar haar zin had in het water. Ieder zijn ding zeker?
  • Vroeger was op vakantie gaan voor ons een periode van rust. Dat blijkt nu totaal anders. Mentaal is het ontspannend om eens zoveel tijd met je kind door te brengen. Maar fysiek zijn we waarschijnlijk vermoeider teruggekeerd dan vantevoren. Het feit dat Elise vrij slecht heeft geslapen daar, zal er ook voor iets tussen zitten. Maar we waren echt blij om terug thuis in ons eigen bed te slapen.
  • De belangrijkste conclusie: voor ons kleintje is weinig al meer dan genoeg. Het feit dat ze een hele week van de onverdeelde aandacht van mama en papa kon genieten, was volgens mij al reden genoeg om gelukkig te zijn. Je zag ze profiteren en het naar haar zin hebben. En uiteraard genieten wij daar ook weer van. Spectaculaire dingen waren niet nodig: een klein speelgoedkeukentje in de binnenspeeltuin, op tijd en stond een aflevering van Bumba kijken op schoot bij de mama, en dan spelen in die gigantische zandbak. Het was genoeg. En wij waren blij met die lach op haar gezicht.

Overigens hebben we onze vakantie een dag ingekort. Het weer was niet in ons voordeel de laatste dagen, en dus kwamen we tot de conclusie dat we beter een dag eerder konden terugkeren. Kwestie van terug naar ons eigen nestje te gaan. Want die conclusie hebben we ook getrokken: eigenlijk zijn we graag gewoon thuis. Ook ons meisje was zichtbaar blij terug thuis te zijn. Wil dat zeggen dat we niet meer op verlof gaan? Nee, zeker niet. Maar misschien een weekend. Of volgend jaar nog eens een week. Voorlopig is het goed zo. Home sweet home 🙂

 

Hoe doen die dat?

Iedereen kent ze wel. De “picture perfect” mama’s die alles altijd onder controle lijken te hebben. Elke keer perfect gewassen en haren perfect in model als ze zich in de buitenwereld begeven. En uiteraard met een al even perfect verzorgde kroost. Het lijkt er dan ook nog eens op dat er daar elke avond een perfect evenwichtige maaltijd op tafel komt, en dat het huishouden daar op wieltjes loopt.

Daar tegenover heb je dan de zogenaamde “ploetermoeders”. Die ploeteren zich elke dag weer opnieuw door alle uitdagingen van het dagelijks leven. ’s morgens een rush om op tijd op de kinderopvang/het werk/de trein te geraken. Elke morgen douchen en de haren perfect in model brengen voor je de deur uitgaat? Daar gelooft de ploetermoeder niet in. Gewoon even opfrissen, en een paardenstaart zorgt dat elke bad hairday onmiddellijk goed gecamoufleerd wordt. ’s avonds doet de ploetermoeder haar best om deftig eten op tafel te zetten, maar evengoed bezwijkt ook zij soms onder de drukte van elke dag en komen er ’s avonds diepvriespizza’s of frietjes van de frituur op tafel. Of een boterham. Daar zit toch ook alles in?
Uiteraard doet de ploetermoeder wel haar uiterste best om te zorgen dat de kindjes niets tekort komen. Er komt op tijd eten en drinken op tafel voor de kroost, en ook op baddertijd wordt niet bespaard. Maar voor de ploetermoeder is het dan weer niet zo erg als er eens een ongestreken t-shirt wordt aangetrokken. Of als de haartjes eens wat minder perfect worden gekamd.
Voor de ploetermoeder is het een overwinning als ’s avonds blijkt dat alles gewoon volgens plan is verlopen, en alles opgeruimd is voor ze ’s avonds uitgeteld in bed kruipt. Kuisen? Dat gebeurt tussendoor. De vloer gedweild krijgen op een gewone weekdag is een ware overwinning, voor de ploetermoeder.

Tot welke categorie ik mezelf reken, is niet zo moeilijk uit te maken. Elke keer vraag ik mij af hoe andere mama’s dat allemaal geregeld krijgen. Maar op het eind van de dag, als ik Elise uit de crèche ben gaan halen en zij bij ons aan tafel zit, en zit te schaterlachen met de kleinste dingen, denk ik dat die categorie eigenlijk niet zoveel uitmaakt. Ons kindje is supergelukkig, dus zo slecht zullen we het wel niet doen zeker? 🙂